Gente rezando en la tumba de Don Chiqui

Een christelijke gezin: smaak van thuis

Categorías:
Compartir:

Wij reproduceren hierbij enkele bladzijden uit “Aantekeningen uit het leven van de stichter van het Opus Dei”, van Salvador Bernal. Er wordt hiermede uiteengezet het lijden en de genegenheid van de Heilige Josemaría tegenover de ziekte van Don José María Hernández de Garnica alsmede van andere leden van het Opus Dei.

Op 25 mei 1975 ontving de Reilige Josemaría in zijn geboortestad Barbastro, de gouden medaille van deze Stad.

“Heel vaak –legt Don José Luis Múzquiz uit, een van de drie eerste priesters van het Opus Dei samen met Don Álvaro del Portillo en Don José María Hernández de Garnica- heb ik de Vader lange tijden zien doorbrengen naast een zieke, waarmee hij hem met bovennatuurlijke visie vervulde, en hem over dingen vertedle die hem konden verstrooien, of een of andere geestelijke norm met hem deed”.

In de jaren zeventig, toen Don José María Hernández de Garnica erg ziek begon te zijn –Mons. Escrivá de Balaguer noemde hem altijd bij zijn familienaam, “Xiqui”-, in februari 1972 ontving Don José Luis Múzquiz een brief van Don Álvaro, waarin hij hem verhaalde dat “Xiqui in zeer slechte gezondheids toestand verkeerde”, en dit betekent dat “de Vader kilt dat ik dit jou rechtstreeks schrijf opdat jij voor hem bid”. Bij het lezen hiervan, herinnerde Don José Luis zich dat, gelijk als bij de ziekte van Isidoro Zorzano –net als de moeders die naast hun zieke kleine kinderen staan- de Vader het voorgevoel had dat hete en ernstig geval betrof, de medische prognose in aanmerking genomen.

Hetzelfde gebeurde in dit geval: Don José María Hernández de Garnica was naar Rome gereisd en zodra de Vader hem had gezien, zond hij hem onmiddelijk opdat men hem een grondig medisch onderzoek zou houden.

Op de dag vóór het Feest. van María Onbevlekte Ontvangenis -7 december 1972- overleed Don José María in Barcelona. Kort daarop, ontving Don José Luis Múzquiz een brief vanuit Rome:

Ik heb zojuist het uiterst pijnlijk bericht ontvangen van het overlijden van Txiqui (r.i.p.). Hij is zeer goed door de Heer gezuiverd ontvangen. Ik kan jou niet verbergen dat ik geleden heb –ik lijd veel-, dat ik geweend heb.

Draag vele gebedeb op voor zijn  zielelrust, en vraag aan allemaal dat zij he took doen, hoewel ik ervan overtuigd bend at hij ze reeds niet meer nodig heeft. Draag hem –zoals ik het reeds vanaf het eerste moment gedaan heb- alles wat jij in je hart draagt op, want Chiqui zal door blijven gaan met het duwen, zoals hij steeds heeft gedaan, nu zeer dicht bij Onze Lieve Vrouw.

Blijf serene en behoud de vrede: de Heer weet beter.

Zowel bij de dood, als bij het leven. Encarnación Ortega onderschrijft de fijngevoelige tederheid van de Vader: “Hij doorzag onze zorgen, onze gevoelens”. En zij verhaalt zeer concrete uitingen van hoe hij erin slaagde samen te verenigen zijn tederheid –moederlijk- met de energie op het moment van een berisping te doen en de sterkte van een vader die weet weet hoe hij van zijn kinderen moet eisen, ook omdat hij van hun houdt. Zo b.v., wanneer er in Rome vrouwelijke leden van het Werk aankwamen, in het algemeen om hun studies daar te verrichten, zorgde hij ervoor dat wij hun aanpassing aan het milieu zouden vergemakkelijken, vooral indien zij van verre landen aankwamen, die zeer verschillend waren: hun de lasten van het klimaat te voorkomen, gedaan zien te krijgen dat zij zich geleidelijk aan aan de italiaanse keuken zouden wennen, hun het gezelschap te verschaffen van mensen die hun taal zouden beheersen.

Encarnita Ortega was in september 1960 in Londen. Kort daarvoor waren enkele vrouwen van het Werk naar Osaka en Nairobi gereisd. Zij begonnen het apostolisch werk van het Opus Dei. Zoals trouwens altijd, met zeer weinig materiële middelen. De Stichter, die in diezelfde dagen in Londen verbleef, voelde in zijn hart de drang om haastig hun op te bellen ten einde direkte berichten van hen te ontvangen. Hij vroeg hoeveel dit zou kosten, en berekende vervolgens uit dat, door zich van enkele kleine dingen te ontzien, deze uitgave gedaan zou kunnen worden. En hij deed het dan ook zo. De Vader was door zijn hart overwonnen.

Maar de liefde sloot geenzins de sterkte uit, date en andere manier was om die liefde tot uiting te brengen. Hij liet nooit n ate berispen: noch in ernstige zaken, waarin kernaspekten van de geest van het Opus Dei op het spel stonden, noch in kleine dingen, ogeschijnlijk van geen belang.

Hij wist te berispen omdat hij wist te beminnen. Zijn waarschuwingen waren niet pijnlijk, ze sloegen niet ter neer. Hij legde ere en zodanige tederheid bij –ook al was de berisping nog zo energiek en duidelijk-, dat iedereen zich bemind voelde en ertoe aangespoord de dingen goed te doen.

Deze liefde bepaalt dat het Opus Dei een gezin is, zonder eufemisme. En deze liefde heeft zeer in het bijzonder betrekking op de families van de leden van het Werk.

Een vrucht van zijn meditatie van het vijfde blijde geheim van de Heilige Rozenkrans –Jesus wordt in de Tempel wedergevonden-, liet de Stichter van het Opus Dei geschreven: (…) En, terwijl wij getroost worden met de blijdschap omdat wij Jesus hebben werdergevonden<-drie dagen van afwezigheid!- terwijl Hij met de Meesters van Israel discussieerde (Lc., II, 46), zal in he hart zeer diep geworteld worden jouw en mijn plicht om onze dierbaren thuis achter te laten om de Hemelse Vader te dienen.

Het was een duidelijke plicht, die altijd in de Kerk beleefd is geworden. Maar ook, steeds wanneer het mogelijk is, heeft de Stichter van het Opus Dei gewild dat de leden van het Werk die niet bij hun ouders woonden hun in de moeilijke ogenblikken toch zouden begeleiden, ten minste –wanneer het onmogelijk zou zijn om fysiek naast hunt e zijn- met hun onophoudelijk gebed, met hun onophoudelijke brieven, of met het gezelschap van andere leden van het Werk.

Hij heeft dit aldus beleefd. En hij heeft dit zo aan de jongere leden leren beleven, die –vanwege hun temperament, haast zou ik zeggen wegens de wet van het leven- soms hun liefde en dankbaarheid jegens hun ouders met een bepaalde en ogenschijnlijke –soms gewoon wegens luiheid- afstand zouden bedekken.

Zoals Don Remigio Abad erbij aantekent en die sedert vele jaren kapellaan is van Xaloc, een apostolische onderneming van het Opus Dei in Hospitalet de Llobregat, “hij leeerde mij om mijn ouders met een intensere tederheid te beminnen; bij verschillende gelegenheden vroeg hij mij –hij wist dat ik lui was in het schrijven-: Hoeveel dagen is het geleden dat jij je ouders heb geschreven? Hij bad dagelijks voor hen in de Heilige Mis-.

In gevallen waarbij men hem over ouders vertelde die niet geheel tevreden waren met het feit dat hun kinderen lid van het Werk zouden zijn, dan was het, over het algemeen genomen, en geheel terecht, hun eigen schuld. Omdat zij niet trouw wisten te zijn, in de praktijk, aan de geest van het Werk. Een Brasiliaanse moeder schreef in 1974 aan haar zoon, nadat zij Mons. Escrivá de Balaguer had leren kennen:
“Lieve kind:

Nadat zeven jaren zijn verstreken, kan ik jou wederom recht in je ogen kijken en zeggen: waarlijk is het beter zo geweest. Het moet werkelijk zo zijn.

“Nu kan ik een kruis zien, een kerk, zonder pijn in mijn hart te voelen. Ja, nu kan ik zien dat men jou niet van mij beroofd heeft. Dat jij moest vertrekken. En dat jouw wereld wonderbaarlijk mooi is.

“Jij, mijn zoon, je bent een bevoorrechte iemand. Wat heeft mij de Vader doen veranderen! Hij heeft mij jou aan mij teruggegeven. En tegelijk aan God, die ik nu kan beminnen.

“Mijn zoon, probeer de leer van de Vader n ate volgen. Immers, voor mij is het alsof het dezelfde Liefde van Christus was”.

Het hart van de Stichter van het Opus Dei was daadwerkelijk vaderlijk. Daarom begreep hij heel goed de gevoelens van de ouders. En daarom hield hij steeds rekening mee met de gezinnen van de leden van het Werk. Wanneer de  noodzaaak van de arbeid hun ver van ze wegnam, moedde hij hun steeds eraan dat zij hun vaak zouden schrijven, dat zij hun blijde berichten zouden schrijven, dat zij hun aan hun vreugde deelachtig zouden maken: immers, het geluk van de zoon is wat het meest het hart van de ouders vervult.

Zo beleefde hij dit met allemaal, zelfs in de verschrikkelijke tijden van de Spaanse Burgeroorlog. Zo,  raakte Enrique Espinós Raduán ontroerd, toen hij enkele uren met de Vader samen kon zijn in Valencia in October 1937, toen hij daar op doorreis was naar Barcelona. Espinós ging samen met zijn neef Francisco Botella afscheid van hem nemen op het station. Van dit onderhoud bewaart hij een grote indruk van sereniteit en van vrede, van grenseloos vertrouwen in God. Later zou Paco zich bij Don Josemaria in Barcelona voegen, en zou met hem samen de vluchttocht over de Pyrinëen ondernemen. Enkela maanden later begon Enrique Espinós brieven van Isidoro Zorzano te ontvangen waarin hij detatils over de stappen van Valencia tot Burgos vertelde: “Het was een teken van uiterst fijne naastenliefde jegens mij en jegens de ouders van Paco; er was geen twijfel aan dat hij dit deed op voorstel van de Vader, aangezien ik persoonijk Isidoro niet kende”.

Ook Don Pedro Casciaro heeft de gelegenheid dit gedurende enkele dagen te onervinden. Hij had vaak met de Stichter van het Werk over het geestelijk leven van zijn vader gesproken, een mens met vele menselijke deugden en vol goedheid, maar die vanwege zijn zorg om de omstadigheden van de arbeiders te verbeteren zich gedrogen voelde om aan een politieke partij deel te nemen die hem tot houdingen voerde die steeds meer antiklerikaal waren. Binnen die sfeer, trok hij zich geleidelijk aan van uiterlijke godsdienstpraktijken terug. Don Josemaría ried Pedro aan om hem vol vertrouwen aan Onze Lieve Vrouw aan te bevelen. In December 1937, nadat zij Andorra hadden bereikt, wilde hij langs Lourdes reizen alvorens naar Spanje terug te keren. Pedro bereidde zich erop voor hem de Mis te dienen die hij ging opdragen. Reeds aan de voet van het altar, keerde hij zich delikaat tot hem om, die reeds geknield was, en zei hem zachtjes: –Ik veronderstel dat je de Mis voor jouw Vader zult opdragen, opdat de Heer hem vele jaren van christelijk leven zal schenken. Don Pedro Casciaro raakte verbaasd hierover: “Werkelijk had ik niet in mijn gees tom deze intentie te bidden, maar ik antwoordde op dezelfde toon: -Ik zal het doen Vader”.

Toen de oorlog eindigde, moest zijn vader in balingsschap gaan. Hij leed hierdoor vele ontberingen, maar de Heer bewoog hem ertoe als een vrome christen te gaan leven, vol van een eerlijke vroomheid. Gedurende de laatste elf jaar van zijn leven –hij overleed vol vrede op 10 februari 1960, op de dag vóór het Feest. van Onze Lieve Vrouw van Lourdes- is hij een mens van gebed en van dagelijkse Mis en Communie. Hij beminde veel de Stichter van het Opus Dei en was Medewerker van het Werk.

Toen het Opus Dei over de hele wereld groeide, verminderde zijn genegenheid geenzins. Het is iets dat niet aan menselijke oorzaken kan worden geweten: mensen van zeer uiteenlopende rassen en temperamenten, die niet eens het Spaans kenden en die Mons. Escrivá de Balaguer nooit persoonlijk hadden gezien, gingen met hem om –zij hielden van hem- als met een echte Vader. En hij was dan ook een ware Vader. Dit lie teen bekende Spaanse pedagoog weten, Victor García-Hoz, die hem in 1939 had leren kennen: “Een van de dingen die mij het meest de aandacht trok in de laatste jaren van het leven van de Vader was te kunnen zien hoe hij in de catechesebijeenkomsten voor talloze mensen, in bijeenkomsten met honderden en zelfs duizenden mensen, met hen wist om te gaan met een sfeer vol intimiteit. Dit was iets dat ik voor mij geen andere uitleg ervoor zie dan door een bijzondere genade van God”.

De Stichter van het Opus Dei had steeds aangeraden en zelf beleefd het persoonlijke apostolaat, van vriendschap en vertrouwen te beleven. Maar naar mate de groei van het Werk het onmogelijk maakte dat hij allen zou ontvangen en met ze spreken en met iedereen zijn leer te verschaffen, ontstonden op spontane wijze die soort “tertulias”, samenkomsten, waaraan soms zelfs over de vijfduizend mensen rondom Mons. Escrivá de Balaguer te vinden waren. Het was opmerkelijk te ervaren dat het nooit om zgn. massale bijeenkomsten ging, maar integendeel ze behielden een gezinssfeer. Iedereen voelde zich deel van dit gezin, deelgenoot van degenen die hem vragen stelde of iets vertelden: zowel een dame van tachtig jaar, al seen jongen van vijftien; een gehuwde man met vele kinderen of een ongehuwde vrouw; een arbeider, een universitaire professor of een filmartiest… De gespreksonderwerpen  ontstonden uit persoonlijke problemen of engerustheid. De Vader behiel de persoonlijke toon, intiem. En allemaal verenigden zich met dezelfde zorg en ontvingen hun antwoorden als waren zij tot iedereen in het bijzonder gericht.

Van enkele van dergelijke samenkomsten “tertulias” zijn er beelden in kleur en met direct geluid bewaard. Een van die films beschrijft beter dan vele bladzijden hoe de Stichter van het Opus Dei was en hoe hij van alle mensen hield die rondo m hem samengeperst waren. Op 16 juli 1974 was het tijdens een uiterst grote bijneenkomst in een enorme zaal van het Palacio de Congresos San Martín, in Buenos Aires. Er werd mee begonnen met enkele zeer korte woorden:

Het zal jullie niet verbazen als ik jullie zeg –want het zal jullie logisch lijken- dat ik vanochtend in de Heilige Mis, heel veel aan jullie gedacht heb; en ook tijdens de dankzegging. Ik heb de Heer om iedereen van jullie gebeden: voor zijn zorgen, zijn bezigheden, zijn liedes, zijn belangen, zijn tijdelijke en geestelijke gezondheid. Omdat ik jullie gelukkig wil hebben. En ik dacht eraan dat wij hier op een menigte zouden lijken. In het Opus Dei zijn we dit reeds eraan gewend, en wij weten dat wij niet zo zijn: wij zijn een gezin. Nadat we twee minuten met elkaar hebben gesproken, de menigte wordt een klein groepje mensen. Wij spreken met de genegenheid van een halve docijn mensen die elkaar begrijpen.

Kort hierna, vertelde een jongen uit Paraguay dat zijn moeder, die van het Werk is, overleden was terwijl zij voor de Stichter bad. Een vrouw, wiens echtgenoot lid van het Opus Dei was, wilde weten wat era an haar ontbrak om eveneens van het Werk te zijn. Iemand anders was bezorgd omdat, soms, de intensiteit van zijn beroepswerk het hem bemoeilijkte om ere en bovennatuurlijke zin aan te geven. Daarna, nam het word iemand van het Werk die daar samen met zijn moeder, die weduwe was, en bezorgd om wat van haar zoon terecht zou komen wanneer hij oud zou worden…Zij zegt dat ik geen gezin heb… En aangezien zij hier naast mij is, wil ik dat u haar vertelt dat wij een gezin hebben, waarin wij heel veel van elkaar houden, en dat bovendien wij altijd jong zijn, zoals U…

Mons. Escrivá de Balaguer belichte zijn antwoord met een oude anecdote. Op een keer, een grote persoonlijkheid viel een lid van het Werk aan, omdat hij, bij de beoefening van zijn burgerlijke vrijheid, zijn onenigheid met hem had uitgedrukt. Onder andere, sprak hij erover dat dit lid van het Werk geen gezin had. Toen, ging de Stichter van het Opus Dei bij hem op audiëntie, en zei tot hem:

Hij heeft een gezin; heeft mijn thuiswoning. Die persoonlijkheid bood hem zijn excuses aan. En ging verder: Jij weet dat jouw zoon een gezin heeft en heeft een thuiswoning; en hij zal sterven omgeven door zijn broers vol van genegenheid. Hij zal gelukkig leven en gelukkig sterven! Zonder vrees voor het leven en zonder vrees voor de dood! (…) Dit is de beste plaats om erin t eleven en de beste plaats om erin te sterven: het Opus Dei! Wat bevinden wij ons toch goed daarin, mijn kinderen!

Vele mensen ervoeren op die dag daar –in het Palacio de Congresos- dat dáár men de sfeer van de eerste christenen kon beproeven, dat men daar met slechts één hart vibreerde, met één enkele ziel, met één enkele genegenheid. En men begreep daadwerkelijk dat het Opus Dei een gezin is, vol van menselijke genegenheid en heilige delicatessen.

Twee jaar daarvoor, op 22 november 1972, in Barcelona, een jong meisje verklaarde aan de Vader bij een soortgelijke samenkomst:

-Op de andere dag was ik ook aanwezig bij een “tertulia” met U. Bij de uitgang, zei mij een vriendin:

-Heb je niet opgemerkt dat die priesters die daar met de Vader waren, beslist zeker dat zij van hem duizenden malen dezelfde diengen hebben horen zeggen? En niettemin, met wat voor genegenheid zij hem aankeken! Wat houden de mensen van het Opus Dei toch veel van elkaar!

Het antwoord kwam snel, onmiddelijk, het ontroerde:

-Jawel! Wij beminnen elkaar! Ja meneer. Wij beminnen elkaar! En dit is het beste wat men van ons kan zeggen. Immers, van de eerste christenen zeiden de heidenen: Zie hoezeer zij van elkaar houden.