Gente rezando en la tumba de Don Chiqui

José María Hernández Garnica, Numerair priester van het Opus Dei

Compartir:

Een nieuwe wereld

José María Hernández de Garnica werd in Madrid op 17 november 1913 geboren, in een welgestelde christelijk gezin. De kenmerken van zijn kindsjaren alsmede die van zijn adolescentie zijn die van een verantwoordelijke en goede christelijke jongen, “Chiqui”, zoals velen hem noemden, studeerde voor ingenieur in de Mijnbouwkunde, zeer intensief, en behaalde de eerste plaatsen (de vierde, de tweede, de derde) bij de verschillende promoties van iedere cursus.

In het najaar van 1934, kort nadat hij zijn vader had verloren ten gevolge van een ziekte die hij in die zomer had geleden, keerde hij naar Madrid terug. Er begon hiermede een nieuwe fase in zijn leven. Een klasgenoot, Mateu Azúa, nodigde hem uit het Studentenhuis DYA te bezoeken, een apostolische onderneming van de Heilige Josemaría.

Bij zijn aankomst in het Studentenhuis zag hij dat men bezig was met materiële reparaties te verrichten, en de Heilige Josemaría, op hartelijke en spontane wijze nodigde hem uit om eraan mee te werken:

-Man!, Chiqui, heel goed! Hier, pak deze hamer en enkele spijkers en, halaa!, begin daaarboven vast te nagelen.

Deze vertrouwelijke beginwijze beviel hem heel goed en heel gauw begon hij met de Vader, zoals men de Stichter van het Opus Dei placht te noemen, zijn geestelijke leiding te hebben, en zodoende aan zijn leven de christelijke boodschap van de Heilige Josemaría toe te voegen: de heiliging in het dagelijks leven door middel van het dagelijks werk.

Jaren later herinnerde hij deze gebeurtenis: “daar kon ik een nieuwe wereld voor mij ontdekken (…) die eruit bestond de volle betekenis van de roeping en van de christelijke deugden te ontdekken, de omgang met God aan te leren totdat ik het begrip van zoon van God te zijn. En dit alles langzaam, maar constant, de beklimming te began van de christelijke deugden”.

Geleidelijk aan, begon God zich met een steeds grotere intensiteit in zijn leven in te mengen, totdat hij ontdekte dat Hij van hem vroeg zijn gehele leven over te geven ten dienste van het Opus Dei. Hij beantwoorde vol grootmoedigheid aan de roeping van God op 28 juli 1935.

Buegeroorlog

Een jaar later ontplofte de Spaanse Burger Oorlog en net als zo vele jongens van zijn generatie, onderging hij veel avonturen. Op 10 november 1936 werd hij gevangen genomen in de Cárcel Modelo, aangeklacht wegens tegenstrijdigheid met het geldende politieke regime en werd ter dood veroordeeld door een volks tribunaal. Daar vandaan verhuisde men hem naar de gevangenis van San Antón, waarvandaan  velen eruit gehaald werden om op ongediscrimineerde wijze te fusilleren

Iemand die hem hem toen leered kennen verhaalt: “Mogelijk liet in zijn hart gegrieft al wat hij gedurende die maanden van gevangenis in de Spaanse Burger Oorlog heeft moeten lijden. Het feit dat hij de zekere en dichtbijzijnde dood heeft moeten zien, heeft in hem beslist zijn ogen geopend ten aanzien van het weinig dat al het aardse voor iemand betekent. Don José María vertelde ons dit tijdens “tertulias” (samenkomsten) enkele keren: hij was reeds ter dood veroordeeld en men had hem reeds in een vrachtwagen gestopt met alle anderen die gefusilleerd moisten worden, toen een uit de wachthouders hem zeide: -Jij, kom naar beneden.

Zo werd zijn leven gered. Alle anderen warden doodgeschoten. Ik denk dat al deze ervaringen wellicht ertoe hebben bijgedragen dat Don José María zo onthecht heeft geleefd ten opzichte van al het aardse alsmede van zijn eigen leven”.

In februari 1937 werd hij naar een gevangenis in Valencia overgebracht, alwaar hij volledig gëisoleerd  werd gehouden gedurende enkele maanden, totdat hij in de maand juni in vrijheid werd gesteld.

Maar met de vrijheid kwam nog niet de vrede: nadat hij in Rodalquiar had gewerkt, alwaar hij bijna stierf ten gevolge van een hinderlaag, moest hij naar Valencia terugkeren om ingelijfd te worden in het Republikeinse leger. Hij kreeg als bestemming de verbindingsafdeling in Madrid, een front zonder enige aktiviteit, en waar hij opnieuw de Stichter van het Opus Dei kon ontmoeten, die hem moed insprak m.b.t. zijn moeilijke situatie.

Toen de ooslog eindigde José María had fysiek zeer veel te lijden ten gevolge van de gebeurtenissen die hij in de gevangenis en in het front had moeten verdragen. De Heilige Josemaría moedigde hem veel in zijn brieven die hij hem schreef, zoals b.v. in deze d.d. 27-IV-1939:

“Mijn geliefde Chiqui: door jouw wensen kan jij eruit opmaken die die ik heb, om jou te omhelzen en met jet e spreken. Indien jij mij nodig hebt, zal ik onmiddelijk een reis naar je toe ondernemen ook als het naar de andere kant van de wereld. Jij hebt het word. Heb moed. Na alles wat je hebt moeten lijden (…), heb je nodig een herstel periode. Daarna…zal je zien hoe goed jij zult reageren en hoe goed je zult werken!

Op mart 1940, toen hij fysiek redelijk hersteld was, beëindigde hij zijn studies. Francisco Ponz herinnerde hem zich als volgt: “Lang, ogenschijnlijk krachtig alhoewel zijn gezondheid niet zeer goed was, donker haar en brede front, levendige ogen en scherpe en vlonkerende zicht, hij was iemand met wie men aangenaam kon omgaan en hij was eenvoudig. (…) men voelde zich zeer goed naast hem, vanwege zijn scherpzinnig gedachtenmanier, de edelheid van zijn hart en de duidelijkheid van zijn spreken vole en sterke en diepe genegenheid”. Hij beschrijft hem als “een man die loyaal was ten koste van iedere beproeving, hij beleefde zijn roeping tot het Opus Dei vol getrouwheid aan de Heer en aan de Stichter en hieraan was al het andere onderworpen”.

Priester

“Die eerste naoorlogse spaanse oorlogsjaren, toen men materieel gezien geheel opnieuw moest beginnen, van nul afaan –vertelde  José María- zijn zeer harde jaren geweest, vanwege de uiterste omstandigheden waarin we leefden: de vervolging van de goede mensen, met zoveel laster die op het Werk drukte; het gebrek aan materieele middelen”.

In 1940 had de Stichter hem de mogelijkheid voorgesteld om tot priester gewijd te worden en José María beantwoorde met grote edelmoedigheid: “De Vader had ons duidelijk laten zien –herinnerde hij zich- de noodzaak die het Werk had om priesters te hebben die tot het priesterschap zouden moeten komen nadat zij onze eigen roeping hadden beleefd, om te helpen met hun predeking –in overeenstemming met de richtlijnen die door de Vader warden vastgesteld- in de vorming van hun broers en om met de geestelijke leiding meet e helpen, vooral middles het Sakrament van de Boetvaardigheid”.

Hij wist gedurende die tijd zijn beroepswerk met zijn kerkelijke studies te verenigen, net als dit door Álvaro del Portillo en José Luis Múzquiz gedaan werd, samen met wie hij door de Bisschop van Madrid, Mons. Leopoldo Eijo y Garay op 25 juni 1944 tot priester werd gewijd. Dit was de eerste priesterwijding van leden van het Opus Dei.

Op de foto, van links naar rechts, José Luis Múzquiz, in heiligheidgeur overleden; de Dienaar Gods José María Hernández de Garnica; de Reilige Josemaría en de Dienaar Gods  Álvaro del Portillo, wiens zaligheidsverklaringsproces recentelijk is aangevangen.

Vanaf het begin van zijn priesterlijke arbeid ontwikkelde Hernández de Garnica een zeer uigebreide taak m.b.t. de geestelijke leiding, me talle soor mensen, in het bijzonder met jonge universitaire studenten, en zeer speciaal gecentreed op de ontikkeling en de vorming van de aktiviteiten met vrouwen.

“De liefde tot God die Don José María –herinnert zich Dora Calvo- voerde hem ertoe een buitengewone apostolische ijver te voeren. Hij sprak tot ons dat wij ons moesten inspannen om alle zielen van heel de wereld dichter bij God te brengen. Deze universaliteit in het apostolaat inte hij in ons met zo’n grote kracht dat, zou ik durven zeggen, juist hierom wij zo natuurlijk zagen dat wij ons naar andere landen zouden moeten reizen om aldaar het werk aan te vangen, zoals wij dit reeds in die jaren aan het doen waren”.

Vanaf eind 1954 en in de eerste maanden van 1955, ondernam hij een lange reis door America, met de bedoeling de gang van zaken in de apostolaten die reeds jaren eerder daar begonnen waren te versnellen: De Verenigde Staten, Mexico, Guatemala, Venezuela, Colombia, Ecuador, Perú, Chili en Argentinië.Enkele maanden later, reisde hij naar Engeland en Ierland met dezelfde bedoeling. Vanaf 1957 tot 1972 was hij in vele Europeese landen om de aanvangswerkzaamheden van het Opus Dei te bespoedigen: Frankrijk, Ierland, Duitsland, Oostenrijk, Engeland, Zwitserland, Nederland, België… De taak om de weg te bakenen om de boodschap van Christus te openen vereisde van hem veel standvastigheid en voortdurend nieuwe problemen aan te pakken: cultuur, talen, apostolisch werk met mensen die afkomstig waren uit verschillende godsdiensten, voedinsgewoonten, enz. Degenen die daar met hem gewerkt hebben herinneren zich terdege zijn onwrikbaar geloof in God alsmede de zekerheid dat met het gebed, de versterving en de onoophoudelijke arbeid de appostolische vruchten zouden komen. De ondervinding van de schaarse krachten waarover hij beschikte in verhouding tot de omvang van de evangelisatietaak die hij aan moest, voerden hem geenzins tot de ontmoediging, noch tot de wanhoop. Hij verhelderde dit alles eens tijdens een meditatie:

“Indien wij trouw aan de roeping van God willen blijven en een efectieve en onophoudelijke dienst verrichten, dan dienen wij goed voor ogen houden dat de belangrijkste handeling die van God is –zijn genade- maar het is tegelijkertijd onmisbaar dat we rekening houden met het feit dat de instrumentele arbeid van de mens die hij met zijn eigen handeling verricht wel onmisbaar is maar die door de genade van God tot een bovennatuurlijke arbeid verheft. Deze intrumentele arbeid vereist bereidheid, vorming en volgzaamheid met betrekking tot de goddelijke arbeid”.

Dit bevestigt Dr. Steinkamp t.a.v. Nederland: “Hij bezat een groot geloof in God. Het was in hem een onophoudelijke visie bij zijn gesprekken met ons, dat wij in God moisten geloven”. Zijn liefde tot God kwam in het bijzonder tot uitdrukking tijdens de Eucharistieviering: “Zijn liefde voor de Mis

-vertelt Eileen Houriman- en zijn manier waarop hij deze vierde brachten in degenen die deze bijwoonden een zeer grote devotie. De zo devote wijze waarmee hij het altar kusde, juist bij het begin, leite jou zien dat het hier om de belanrijkste afspraak van de dag ging”.

“Zijn liefde tot God was zichtbaar wanneer hij de Mis vierde –herinnert zich José Gabriel de la Rica-. Hij concentreerde zich zonder verstrooid te raken, op de woorden, las langzaam met inspanning, omdat hij de neiging had zeer snel te lezen. Ik kon dwars van linksboven naar rechtsbeneden lezen, maar bij de Mis hield hij zich op bij iedere pause en spande zich erin elk woord uit te spreken”.

Over heel Europa

De Heilige Josemaría bleef vertrouwen in zijn edelmoedige en verliefde overgave om het Opus Dei in zo vele landen van Europa te verrichten.

“Jouw brief heeft mij zeer veel getroost –zei hem de Heilige Josemaría- bij het aanschouwen van hoe zeer jij mij helpt, met jouw gebed en jouw versterving, om de last te dragen die onze Jesus op mijn schouders legt, en die jij heel goed weet dat zij zo vele malen erg zwaar drukt. Mijn hart raakt vol van vreugde bij het aanschouwen van de onophoudelijke uitingen van brandende ijver en van de bovennatuurlijke visie waarmede jullie allen werken”.

Een groot deel van de apostolische arbeid die hij verrichtte in de Europeese landenn bracht hem ertoe op broederlijke wijze vele lutheranen, calvinisten en anglicanen te leren kennen en met hen om te gaan. Met allen van hen zocht hij onmiddelijk een stroom van sympathie en van genegenheid de scheppen die in vriendschap werd omgezet. Hij was ervan overtuigd dat al hegeen van hem scheidde op het gebied van leerstellige materie, maar ook dat slechts het dialoog vol vertrouwen zou het nodige klimaat scheppen van een wederzijds vertrouwen.

Een priester met een open en begripvolle mentaliteit.

De sociale en culturele veranderingen in Europa rond eind jaren 60 vonden plaats op een duizelingwekkende snelheid en rond de jaren 1966 en 1969, vond er in Europa in ware revolutie plaats, in het bijzonder onder de jonge mensen. Kort daarop, in Barcelona, in de loop van 1972, wandelde Don José María rond in een school voor jongens.

De mode van het lange haar was met enige vertraging in Spanje aangekomen: “Ik herinner mij zeer goed –herinnert een leraar die hem vergezelde- een anekdote waarmee zeer goed tot uidrukking kwam de wijze waarop hij de vrijheid van handelen respecteerde en verdedigde alsmede de manier van zijn van de mensen. Op een zondag wandelden ik samen met Don José María en met ons nog iemand die hem placht te vergezellen. Naast ons lie peen jongen met een nogal lange haardracht en niet al te goed verzorgd alsmede met een dichte baard, iets dat, in die jaren, niet al te vaak voorkwam. Degene die samen met ons liep zei als grap dat “ik, deze mensen, glad zou scheren en hun haar op nul zou laten knippen”.

Op dat moment, zei Don José María niets hierover; maar kort daarna, schreef hij in zijn agenda op, omdat hij op grond van zijn ziekte nauwelijks kon spreken, zijn vraag aan mij of er onder mijn leerlingen iemand met baard of lange haardracht was. Ten opzichte van mijn nogal heftig antwoord met de uitdrukking “in geen geval”, nnoteerde hij in zijn agenda: “Dit is tyranie” en voegde ere en comentaar bij over het respect dat wij dienen te hebben voor de vrijheid en de manier van handelen van alle mensen, zoals dit trouwens altijd door de Vader verdedigd was.

Hij comenteerde, zonder ere nig belang aan te hechten, dat als al diegenen die van het Werk zijn en naar andere landen zijn gereisd, met onze halstarigheid en onbegrip zouden hebben gehandeld, zij niets zouden hebben kunnen doen”.

Vanaf zijn jeugd, vanwege zij nieraandoening, heeft altijd een zwake gezondheid gehad, en begin 1970 begon zijn gezondheid ernstig aft e nemen. Zo vele jaren van grenseloze overgave, die hij met een buitengewone goede humor heeft gedragen, begonnen hem de rekening te presenteren aan zijn lichaamsorganen. Alejandro Digón, die toen met hem in Keulen woonde, herinnerde zich: “Don José María genoot niet van een normale sterke gezondheid ten gevolge van een reeks chirurgische operaties die hij in de laatste fase van zijn leven had moeten ondergaan, alsmede ten gevolge van de huidkanker waaraan hij leed. Niettemin, zolang hij over een minimale fysieke kracht beschikte, zette hij zich erover op aan te uitputting en streed ernaar het leefplan na te komen en het arbeidsplan op normale wijze, i.e. op heldhaftige wijze, uit te voeren. Hij bewees dezelfde sterkte t.a.v. de sutuwingskracht waarmede hij de apostolische plannen voorstelde”.

7 december, Vesper van het Feest van Onze Lieve Vrouw Onbevlekte Ontvangenis.

Zolang de ziekte het hem toestond, vierde hij de Heilige Mis, met alle mogelijke inkeer, waarbij hij voor de Kerk over heel de wereld bad, in het bijzonder die van Europa. “De vreugde bij het horen van de geode berichten over Nederland –schreef hij- is mateloos. Men kan zien dat het vuur reeds is aangestoken en het is nu een kwestie van aandringen, niet opgeven en doorgaan met de Heer te bidden op voorspraaak van Onze Lieve Vrouw”.

Op 22 maart overkwam hem een nogal ernstige hartscrisis. Nadat men verschillende medische opinies had gevraagd werd hem de ernst van zijn toestand medegedeeld, die hij met een grote bovennatuurlijke visie ontving. In die dagen, ontving hij een brief van de Heilige Josemaría:

“Ik heb jouw laatste brief ontvangen en ik dan ontzettend veel de Heer voor deze nieuwe diagnose, die mij nog harddrukkelijker de Heer en Onze Lieve Vrouw doen bidden voor jouw genezing. Ik dank ook Onze Lieve Vrouw voor de vrede en de galatenheid waarmede Zij in jouw ziel wil handhaven. Ga zo door, mijn zoon, want jouw lasten zijn een uitroeping van gebed tot Jesus Christus Onze Heer voor deze Heilige Kerk van Hem”.

Vol bewustzijn werd hij naar Barcelona overgebracht. De laatste maanden van zijn leven zijn waarlijk bijzonder pijnlijk voor hem geweest indien men het vanuit de fysieke toestand beschouwt; niettemin, wanneer hem vroeg over hoe hij zich voelde, of of hij goed had geslapen, antwoorde hij glimlachend met een “uitstekend” of “als de rozen”.

Zijn grootste lijden was niet de Heilige Mis te kunnen vieren ten gevolge van zijn gezondheidstoestand en, daarna, het niet eens te kunnen comuniceren. Hij overleed op 7 december, op de vooravond van Maria Onbevlekte Ontvangenis, met een benijdenswaardige vrede en sereniteit, allen dankende voor alle genegenheid waarmede zij hem hadden behandeld.

Sindsdien talrijke mensen richten zich tot God om hun geestelijke en materiële noden door zijn bemiddeling te willen schenken.

José Carlos Martín de la Hoz, Postulator